ECLI:NL:HR:2022:681

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
7 mei 2022
Zaaknummer
20/03138
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Verordening (EU) nr. 995/2010Art. 4.8 lid 1 Wet NatuurbeschermingArt. 4.1 lid 1 Regeling NatuurbeschermingArt. 38 lid 1 WEDArt. 39 lid 1 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid economische en niet-economische raadkamer bij samenhangende economische en niet-economische delicten

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam over een klaagschrift in verband met verdenkingen van illegale invoer van teakhout, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De kernvraag was of de economische raadkamer van de rechtbank exclusief bevoegd was om het klaagschrift te behandelen, aangezien de klaagster wordt verdacht van economische delicten en niet-economische delicten die in samenhang zijn gepleegd. De Hoge Raad analyseerde de wettelijke bepalingen in de Wet op de economische delicten (WED), met name de artikelen 38 en 39, die de bevoegdheid van economische kamers regelen.

De Hoge Raad oordeelde dat zowel de economische raadkamer als de niet-economische raadkamer bevoegd kunnen zijn om te handelen wanneer economische en niet-economische delicten samenhangend zijn gepleegd. Het proces-verbaal toonde niet aan dat de behandeling door de economische raadkamer had plaatsgevonden, maar gelet op de verdenkingen was ook de niet-economische raadkamer bevoegd. Het beroep werd daarom verworpen.

De Hoge Raad behandelde daarnaast andere klachten over de uitspraak van de rechtbank, maar vond deze niet ontvankelijk voor vernietiging en hoefde deze niet nader te motiveren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; zowel de economische als niet-economische raadkamer waren bevoegd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03138 B
Datum10 mei 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 september 2020, nummer RK 20/3074, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd te [vestigingsplaats]
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te ’sGravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
A.J.C. Perdaems en M. Coenen, advocaten te Breda, hebben namens de klaagster daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld en beslist door de economische raadkamer van de rechtbank.
2.2
Uit de stukken blijkt dat de klaagster wordt verdacht van a) het invoeren van teakhout in strijd met artikel 4.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming in verbinding met artikel 4.1 lid 1, aanhef en onder b, van de Regeling Natuurbescherming en artikel 4 van Pro Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen, b) witwassen en c) deelneming aan een criminele organisatie.
Overtreding van het onder a) genoemde artikel 4.8 lid 1 Wet Natuurbescherming is op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) een economisch delict.
De onder b) en c) genoemde delicten zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht.
2.3.1
Artikel 38 lid Pro 1, tweede volzin, WED bepaalt dat economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank. Op grond van artikel 39 lid 1 WED Pro behandelen en beslissen deze economische kamers van de rechtbank ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten en die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten, en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten. Berechting door een andere dan de economische kamer is op grond van artikel 39 lid 2 WED Pro mogelijk indien economische delicten zijn begaan in samenhang met een of meer strafbare feiten, niet zijnde economische delicten waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen en die economische delicten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die andere strafbare feiten.
2.3.2
Gelet op de onder 2.3.1 weergegeven wettelijke systematiek moet worden aangenomen dat, in het geval dat een verdenking bestaat dat economische delicten en niet-economische delicten in samenhang met elkaar zijn begaan, zowel een economische raadkamer als een niet-economische raadkamer kan optreden als raadkamer.
2.4
Het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift en de beschikking van de rechtbank houden niet in dat de behandeling is gedaan en de beslissing is gegeven door de economische raadkamer. Gelet op de onder 2.2 weergegeven verdenkingen was echter ook de niet-economische raadkamer bevoegd om het klaagschrift te behandelen en daarop te beslissen. De klacht van het cassatiemiddel stuit daarop af.

3.Beoordeling van het eerste en tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 mei 2022.