De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam over een klaagschrift in verband met verdenkingen van illegale invoer van teakhout, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.
De kernvraag was of de economische raadkamer van de rechtbank exclusief bevoegd was om het klaagschrift te behandelen, aangezien de klaagster wordt verdacht van economische delicten en niet-economische delicten die in samenhang zijn gepleegd. De Hoge Raad analyseerde de wettelijke bepalingen in de Wet op de economische delicten (WED), met name de artikelen 38 en 39, die de bevoegdheid van economische kamers regelen.
De Hoge Raad oordeelde dat zowel de economische raadkamer als de niet-economische raadkamer bevoegd kunnen zijn om te handelen wanneer economische en niet-economische delicten samenhangend zijn gepleegd. Het proces-verbaal toonde niet aan dat de behandeling door de economische raadkamer had plaatsgevonden, maar gelet op de verdenkingen was ook de niet-economische raadkamer bevoegd. Het beroep werd daarom verworpen.
De Hoge Raad behandelde daarnaast andere klachten over de uitspraak van de rechtbank, maar vond deze niet ontvankelijk voor vernietiging en hoefde deze niet nader te motiveren.