ECLI:NL:HR:2022:668

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2022
Publicatiedatum
29 april 2022
Zaaknummer
20/04398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2011-2012

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting voor de jaren 2011 en 2012, alsmede de daarbij behorende beschikking inzake heffingsrente over 2011. Na een uitspraak van de Rechtbank Gelderland werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat op 17 november 2020 uitspraak deed.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij een klacht werd aangevoerd tegen het arrest van het hof. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad heeft de klacht beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kan leiden.

De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet nader, omdat de klacht geen vragen betreft die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.

Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt bekrachtigd en de navorderingsaanslagen en heffingsrente definitief zijn vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/04398
Datum29 april 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2020, nrs. 19/01515 en 19/01516 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/6973 en AWB 17/6974) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2011 en 2012 opgelegde navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting en de bij de navorderingsaanslag over het jaar 2011 gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een klacht aangevoerd.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

De Hoge Raad heeft de klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2022.