ECLI:NL:HR:2022:584

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
20 april 2022
Zaaknummer
21/00146
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arrest hof over dwaling bij koop woonboot en betekenis liggeld

In deze zaak stond de vraag centraal of kopers van een woonboot zich hadden vergist over de verschuldigdheid van huur voor de ligplaats, en wat de betekenis is van het begrip 'liggeld'. De kopers stelden zich op het standpunt dat zij niet gehouden waren tot betaling van liggeld, terwijl het hof oordeelde dat sprake was van geen dwaling en dat de kopers wel degelijk gehouden waren tot betaling.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de kopers beoordeeld en geoordeeld dat de klachten tegen het arrest van het hof niet leiden tot vernietiging. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om inhoudelijk op alle vragen in te gaan, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest van het hof wordt daarmee bekrachtigd. De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van de verweerders op nihil zijn begroot. Hiermee is de rechtspositie van de kopers bevestigd dat zij gehouden zijn tot betaling van het liggeld voor de woonboot.

De uitspraak is gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek, ter Heide en Salomons, en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff op 22 april 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00146
Datum22 april 2022
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: K. Aantjes,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: [verweerders],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/17/158208 / HA ZA 17-286 van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2018 en 24 oktober 2018;
de arresten in de zaak 200.253.959/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019 en 27 oktober 2020.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 27 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
22 april 2022.