ECLI:NL:HR:2022:520

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2022
Publicatiedatum
6 april 2022
Zaaknummer
20/04397
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:907 BWArt. 7:908 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verjaring betalingsverplichting effectenlease en vaststellingsovereenkomst

In deze zaak stond centraal de vraag of een vaststellingsovereenkomst, ook wel Duisenberg-regeling genoemd, invloed heeft op de verjaring van een betalingsverplichting uit hoofde van een effectenleaseovereenkomst. De eiser had tegen Tealinez B.V. cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag.

De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag. Bij de beoordeling van het cassatieberoep concludeert de Hoge Raad dat de klachten van de eiser niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat het oordeel niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke nihil worden begroot aan de zijde van Tealinez. Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/04397
Datum8 april 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
TEALINEZ B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Tealinez,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/10/550922/ HA ZA 18-516 van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2019;
het arrest in de zaak 200.254.094 van het gerechtshof Den Haag van 29 september 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Tealinez is verstek verleend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tealinez begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
8 april 2022.