ECLI:NL:HR:2022:5

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2022
Publicatiedatum
11 januari 2022
Zaaknummer
20/04255
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3 Leerplichtwet 1969Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak schoolverzuim 17-jarige

De zaak betreft een 17-jarige verdachte die werd vervolgd wegens het niet voldoen aan de verplichting tot het geregeld bezoeken van school, een overtreding van artikel 2.3 van de Leerplichtwet 1969. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld. In cassatie stelde de verdachte dat het hof het verweer van afwezigheid van alle schuld onvoldoende had beoordeeld.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de gronden van het oordeel nader te motiveren, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 11 januari 2022. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens schoolverzuim blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04255 J
Datum11 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2020, nummer 21-000837-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 januari 2022.