Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2020, waarin de verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan terroristische organisaties IS en Jabhat al-Nusra tussen 2013 en 2015, medeplegen van mensensmokkel, het aanwezig hebben van hennep en diefstal door middel van verbreking.
Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte en betrof onder meer de beoordeling van het bewijs, waaronder het gebruik van foto's en WhatsApp-berichten, en de vraag of er sprake was van opzet op het terroristisch oogmerk van de organisaties. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld maar oordeelde dat deze niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De strafmotivering van het hof werd bevestigd, waarbij onder meer werd meegewogen dat de verdachte in ieder geval veertien mensen het leven heeft gekost. Het cassatieberoep werd op 29 maart 2022 verworpen door de Hoge Raad, uitgesproken door de vice-president en raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.