Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:455

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
24 maart 2022
Zaaknummer
21/02274
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake beslag op onroerende goederen in witwaszaak

In deze zaak ging het om een cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin beslag op twee panden werd opgeheven. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen gericht tegen één van de klagers.

De rechtbank had geoordeeld dat het voortduren van het beslag op een deel van de panden in strijd was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, en daarom het beslag op die panden had opgeheven. Het openbaar ministerie stelde hiertegen een cassatieberoep in, stellende dat de rechtbank onjuist had geoordeeld.

De Hoge Raad heeft de klachten van het openbaar ministerie beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de gronden van het oordeel nader te motiveren omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en daarmee het oordeel van de rechtbank bevestigd dat het beslag op een deel van de panden onrechtmatig was voortgezet. Hiermee blijft de opheffing van het beslag in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het openbaar ministerie wordt verworpen en het beslag op de onroerende goederen wordt opgeheven.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02274 B
Datum19 april 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2021, nummers RK 20/295 en RK 20/297, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
en
[klager 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de klagers.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de klagers, F.J.H.M. Berndsen, advocaat te Breda, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 april 2022.