Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
22 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafzaak tegen een politieambtenaar die samen met een collega tijdens hun horecadienst in een dienstauto seksuele handelingen verrichtte met een dronken vrouw die zij hadden meegenomen om haar naar huis te brengen. De vrouw was onder invloed van alcohol en stapte op basis van vertrouwen in de politieagenten vrijwillig in de dienstauto.
De kern van het geschil was of de vrouw aan de waakzaamheid van de politieambtenaren was toevertrouwd, zoals bedoeld in artikel 249 lid 2 sub Pro 1 Sr, waardoor sprake zou zijn van een geformaliseerde relatie die het misbruik van gezag en waakzaamheid strafbaar stelt. Het hof oordeelde dat dit het geval was, omdat de verdachte handelde binnen zijn ambtelijke taak en de vrouw op grond daarvan aanspraak kon maken op hun zorg.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de strafbepaling bescherming biedt aan personen wier vrijheid beperkt is door het ambtelijke gezag of die aanspraak maken op de waakzaamheid van de ambtenaar. De vrijwillige instap van de vrouw doet hieraan niet af. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
De uitspraak benadrukt de noodzaak dat ambtenaren hun gezag en waakzaamheid niet misbruiken, zeker niet in situaties waarin personen onder invloed zijn en op bescherming moeten kunnen vertrouwen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte politieambtenaar voor medeplegen van ontucht met een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde vrouw.