ECLI:NL:HR:2022:387
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 28 december 2021 in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken te herstellen, met een termijn die eindigde op 8 februari 2022. Ondanks ontvangst van deze kennisgeving heeft belanghebbende het verzuim niet hersteld.
Op grond van artikel 6:6 Awb Pro verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden en is op 18 maart 2022 in het openbaar uitgesproken.
Deze beslissing betekent dat het beroep in cassatie niet inhoudelijk is behandeld vanwege procedurele tekortkomingen, waardoor de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden en het niet herstellen van het verzuim.