Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een klager tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake beslag op een geldbedrag van een stichting waarvan de klager enige bestuurder is. Het beslag werd gelegd in het kader van een verdenking van overtreding van de Opiumwet.
De kernvraag was of de klager als enige bestuurder van de stichting als rechthebbende van het aan de stichting toebehorende geld kan worden aangemerkt. De Hoge Raad verwijst naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en bevestigt dat het cassatieberoep geen aanleiding geeft tot vernietiging van de bestreden beschikking.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag van de stichting blijft gehandhaafd.