ECLI:NL:HR:2022:362

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
14 maart 2022
Zaaknummer
20/00225
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317.1 SrArt. 312.2.2 SrArt. 140.1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiezaak medeplegen afpersing en deelname criminele organisatie

De Hoge Raad heeft op 15 maart 2022 uitspraak gedaan in het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2020, betreffende een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van afpersing en deelname aan een criminele organisatie.

De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over het oogmerk op afpersing en deelname aan de criminele organisatie. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en hoefde deze niet inhoudelijk te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Een derde cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. Dit middel werd gegrond verklaard, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 52 naar 47 maanden.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het beroep voor het overige. De schriftuur van de benadeelde partij werd niet in behandeling genomen wegens te late indiening.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 52 naar 47 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/00225
Datum15 maart 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2020, nummer 21-001424-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft S. Vermeulen, advocaat te Culemborg, een schriftuur ingediend. Die is echter pas bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen nadat de daartoe in de wet gestelde termijn was verlopen. De Hoge Raad zal daarom op deze schriftuur geen acht slaan.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 52 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 47 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 maart 2022.