Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
15 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over medeplegen afpersing. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
In cassatie werd onder meer geklaagd over het niet beslissen door het hof op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van een getuigenverklaring, maar deze klacht werd verworpen. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van 34 maanden naar 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 15 maart 2022.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 34 naar 32 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.