Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het zesde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
4.Beslissing
15 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met valse sleutels, medeplegen van oplichting bij een bloemen- en plantenwinkel en een houtzagerij, en deelname aan een criminele organisatie.
De Hoge Raad beoordeelde verschillende bewijsklachten over de aard van de medeplegen en de deelname aan de criminele organisatie, maar verwierp deze klachten zonder nadere motivering omdat ze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Een gegrond cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de duur van de gevangenisstraf betrof en verminderde de straf van 22 maanden (waarvan 6 voorwaardelijk) tot 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.