Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Eerdere herzieningsaanvraag
3.De aanvraag tot herziening
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
8 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof te Arnhem uit 2001, waarin de aanvraagster is veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon, in het kader van beleggingsfraude. De veroordeling omvatte een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan acht maanden voorwaardelijk.
Eerder was reeds een herzieningsverzoek afgewezen door de Hoge Raad in 2006. De huidige aanvraag tot herziening is eveneens afgewezen, waarbij de Hoge Raad verwijst naar de motivering in een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2022:303). De Hoge Raad oordeelt dat de aanvraag kennelijk ongegrond is.
De uitspraak is gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 8 maart 2022, waarbij de vice-president en twee raadsheren het arrest hebben gewezen. De beslissing bevestigt de eerdere veroordeling en sluit de mogelijkheid tot herziening af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot twee jaren gevangenisstraf, waarvan acht maanden voorwaardelijk.