Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het rijden terwijl het rijbewijs van de verdachte ongeldig was verklaard. Het hof Amsterdam had de verdachte veroordeeld op grond van artikel 9 lid 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarbij werd aangenomen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was. Dit was gebaseerd op een aangetekende brief van het CBR, eerdere aanhoudingen waarbij de politie de ongeldigheid zou hebben medegedeeld, en verklaringen van de verdachte.
De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte de brieven daadwerkelijk had gelezen en dat de bewijsvoering onvoldoende was om te concluderen dat hij redelijkerwijs op de hoogte was van de ongeldigverklaring. De Hoge Raad oordeelt dat uit de gebruikte bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 22 februari 2022.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.