Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 juli 2020, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk vervoeren van 5 kilogram hennep, in strijd met de Opiumwet.
De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten aan de orde, waaronder een bewijsklacht met betrekking tot medeplegen. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand blijft. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof Amsterdam blijft in stand.