ECLI:NL:HR:2022:279

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
20/03458
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 134 lid 2 SvArt. 19 Invorderingswet 1990Art. 447 lid 5 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang en schriftuur bij beslag op auto’s

In deze strafzaak stond het beslag op twee auto’s centraal, dat was gelegd in het kader van een strafvordering. Na het overlijden van een betrokkene werden de auto’s door het Openbaar Ministerie verkocht en de opbrengst overgemaakt aan de belastingdienst vanwege een openstaande vordering. De rechtbank oordeelde dat klagers geen belang meer hadden bij het ingediende beklag tegen het beslag.

Klager stelde cassatieberoep in, maar diende geen schriftuur in, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Klaagster stelde eveneens cassatieberoep in, maar de Hoge Raad oordeelde dat zij geen belang had bij het beroep. Dit oordeel was gebaseerd op de uitleg van artikel 19 Invorderingswet Pro 1990, waarbij de houder van penningen verplicht is om belastingaanslagen te voldoen uit gelden die hij onder zich heeft, waardoor het voorwerp van het beslag niet wordt teruggegeven maar overgedragen.

De Hoge Raad bevestigde dat deze situatie niet valt onder de in artikel 134 lid 2 Sv Pro genoemde gevallen van teruggave, waardoor het beslag juridisch is geëindigd. De rechtbank had derhalve geen onjuiste rechtsopvatting, en de cassatieberoepen werden niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klagers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftuur en het ontbreken van belang bij klaagster.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03458 B
Datum22 februari 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2017, nummers RK 13/1422 en RK 13/1426, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de klager
en
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers. Cassatiemiddelen zijn namens de klager niet voorgesteld.
Namens de klaagster heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster en de klager in hun cassatieberoepen.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klager

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de klager een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling kan nemen (zie artikel 447 lid 5 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klaagster

De klaagster heeft geen belang bij het cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.7 tot en met 4.11.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep van de klagers niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 februari 2022.