ECLI:NL:HR:2022:257

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
21/04877
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c lid 1 RvArt. 407 lid 3 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-naleving procesinleidingsvereisten

Eisers hebben tegen een arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 30c lid 1 Rv en artikel 407 lid 3 Rv Pro. De procesinleiding is niet elektronisch ingediend en er is geen advocaat bij de Hoge Raad aangewezen die eisers vertegenwoordigt.

Eisers hadden de mogelijkheid om deze tekortkomingen binnen twee weken te herstellen door een nieuwe procesinleiding in te dienen die aan de wettelijke eisen voldoet. Zij hebben echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding in de feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag. Het arrest is op 18 februari 2022 gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek, ter Heide, Makkink en Wattendorff.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van procesinleidingsvereisten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/04877
Datum18 februari 2022
ARREST
In de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers],
tegen
PROVINCIE ZUID-HOLLAND,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Provincie.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/538768/HA ZA 17-923 van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2019;
het arrest in de zaak 200.274.314/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 mei 2021.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het cassatieberoep is niet ingesteld op de in art. 30c lid 1 Rv voorgeschreven wijze, te weten door indiening van een procesinleiding langs elektronische weg. Ook voldoet de procesinleiding niet aan de eisen van art. 407 lid 3 Rv Pro, nu daarin niet een advocaat bij de Hoge Raad is aangewezen die [eisers] in het geding in cassatie zal vertegenwoordigen. Deze verzuimen konden worden hersteld door dezelfde procesinleiding met inachtneming van de vereisten van de art. 30c en 407 lid 3 Rv opnieuw in te dienen. [eisers] hebben evenwel geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de verzuimen binnen twee weken te herstellen. Dit brengt mee dat zij in hun beroep niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
18 februari 2022.