ECLI:NL:HR:2022:1908

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/02081
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 sub b WVW 1994Art. 13 lid 1 onder d Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelenArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens grondslagverlating bij rijden onder invloed met uitsluiting bloedonderzoek

De verdachte werd ten laste gelegd dat zij op 22 oktober 2019 te Schouwen-Duiveland een motorrijtuig bestuurde met een alcoholgehalte in het bloed hoger dan 0,5 milligram per milliliter, vastgesteld bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 sub b van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte onder invloed had gereden, maar sprak haar vrij omdat het bloedonderzoek als bewijs werd uitgesloten wegens een te late aanlevering van het bloedmonster aan het laboratorium.

Het hof oordeelde dat het bloedmonster niet spoedig genoeg was bezorgd, waardoor de waarborg van artikel 13 lid 1 onder Pro d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen werd geschonden. Hierdoor werd de uitslag van het bloedonderzoek niet als wettig bewijsmiddel toegelaten. Desondanks achtte het hof op basis van andere bewijsmiddelen zoals het slingerende rijgedrag, het voorlopige ademonderzoek en de bekentenis van de verdachte het alcoholgebruik bewezen.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de uitslag van het bloedonderzoek uit te sluiten, terwijl de tenlastelegging specifiek betrekking heeft op het alcoholgehalte vastgesteld bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 sub b WVW Pro 1994. Voor bewezenverklaring van dit delict is vereist dat uit een dergelijk bloedonderzoek blijkt dat de grenswaarde is overschreden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens grondslagverlating en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02081
Datum20 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 mei 2021, nummer 20-002193-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. Geijtenbeek, advocaat te Goes, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1
De cassatiemiddelen klagen dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende woorden “bij een onderzoek”. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“zij op of omstreeks 22 oktober 2019 te Schouwen-Duiveland als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,88 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.”
2.2.2
Daarvan is bewezenverklaard dat:
“zij op 22 oktober 2019 te Schouwen-Duiveland als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.”
2.2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal van bevindingen PL2000-2019253437-1 blad 3 van het politiedossier, voor zover inhoudende als relaas van eigen waarneming(en) en/of bevinding(en) van de verbalisanten:
Op dinsdag 22 oktober 2019 om 16:26 uur zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig (personenauto), reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Zeelandbrug, Zierikzee, binnen de gemeente Schouwen-Duiveland.
Omstanders hadden de politie geattendeerd op het slingerende rijgedrag van [verdachte] . Toen wij [verdachte] zagen rijden, slingerde zij inderdaad. Zij remde ook op momenten wanneer dit totaal niet nodig was. Terwijl de weg voor haar vrij was remde zij uit het niets.
Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 1] , haar dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat.
Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 1] , dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte PL2000-2019253437-2 blad 2 van het politiedossier, voor zover inhoudende:
V verdachte
P1 verhoorder [verbalisant 1]
P2 verhoorder [verbalisant 2]
P1: Hoeveel alcohol heeft u de afgelopen 24 uur gebruikt?
V : Gisteravond 3 blikjes Grolsch bier van 33 cl. Vandaag rond 14.00 uur twee Gin Tonic 4% alcohol van 33 cl.
3. Een proces-verbaal van de openbare zitting van de politierechter op 30 september 2020, rechtbank Zeeland-West Brabant, zittingsplaats Middelburg parketnummer 02-269026-19, voor zover inhoudende:
Verdachte verklaart:
De tenlastelegging klopt. Ik heb met teveel alcoholhoudende drank gereden in de auto.
4. De ter terechtzitting van heden afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
Verdachte verklaart:
Het klopt dat ik het feit heb bekend bij de politie en bij de eerste rechter. Ik had de dag voorafgaand aan de ten laste gelegde datum 3 biertjes gedronken en op de dag zelf 2 Gin Tonics gedronken. Ik wist dat dit mijn rijvaardigheid doet verslechteren.
Ik weet dat ik fout ben geweest.”
2.2.4
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof weegt mee dat het een feit van algemene bekendheid is dat teveel inwendig gebruik van alcoholhoudende drank de rijvaardigheid van een bestuurder van een motorvoertuig dusdanig kan beïnvloeden dat daardoor slingerend wordt gereden. Naar eigen zeggen wist verdachte ook dat een dergelijk gebruik de rijvaardigheid kan verminderen.
De uitslag van het bloedonderzoek wordt door het hof uitgesloten als wettig bewijsmiddel nu het afgenomen bloedmonster op 21 oktober 2019 is verzonden en eerst op 21 november 2019 is ontvangen door het laboratorium, waardoor de waarborg ingevolge artikel 13 lid 1 onder Pro d van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen, dat het bloedmonster zo spoedig mogelijk moet worden bezorgd bij het onderzoekend laboratorium, is geschonden, zoals ook door de verdediging terecht is gesteld.
Ondanks de uitsluiting van de uitslag van het bloedonderzoek acht het hof op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen (met name het slingerend rijden, het remmen op momenten wanneer dit totaal niet nodig was, de uitslag van het voorlopig ademonderzoek en de verklaring van de verdachte) wettig en overtuigend bewezen dat het alcoholgehalte van het bloed hoger dan 0,5 milligram moet zijn geweest.
De overige verweren met betrekking tot de procedure en de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek behoeven geen bespreking, nu om de hiervoor gemelde reden de uitslag van dat bloedonderzoek wordt uitgesloten als wettig bewijsmiddel.”
2.2.5
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 8 lid Pro 2, aanhef en onder b, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden “bij een onderzoek” zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling.
2.3.2
Artikel 8 lid Pro 2, aanhef en onder b, WVW 1994 luidt:
“Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:
(...)
b. het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.”
2.4
Tenlastegelegd is dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van haar bloed “bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid Pro 2, aanhef en onder b, WVW 1994” hoger bleek te zijn dan een halve milligram alcohol per milliliter bloed. Het hof is tot een bewezenverklaring gekomen maar heeft de verdachte vrijgesproken van het onderdeel “als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994” nu het hof de uitslag van het verrichte bloedonderzoek heeft uitgesloten als wettig bewijsmiddel.
Aldus heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging verlaten, nu voor de bewezenverklaring van een op artikel 8 lid Pro 2, aanhef en onder b, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging is vereist dat uit een onderzoek van het bloed als bedoeld in die bepaling blijkt van de overschrijding van het daar bedoelde maximum.
2.5
De cassatiemiddelen slagen.

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 december 2022.