ECLI:NL:HR:2022:149

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 februari 2022
Publicatiedatum
4 februari 2022
Zaaknummer
21/03489
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300.1 SrArt. 304.1.1 SrArt. 300.2 SrArt. 266.1 SrArt. 457.1.c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot herziening wegens onvoldoende nieuw bewijs bij mishandeling en belediging

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin de aanvrager was veroordeeld voor meervoudige mishandeling en belediging van zijn levensgezel en kinderen. De opgelegde straf betrof dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een contactverbod van drie jaar.

De aanvraag tot herziening stelde dat het politieonderzoek onvoldoende grondig was geweest, dat de aangeefster manipulatief was en niet de waarheid sprak, dat de aanvrager niet agressief was, en dat bewijsmiddelen verkeerd waren geïnterpreteerd. Deze stellingen werden onderbouwd met stukken.

De Hoge Raad oordeelde dat deze nieuwe gegevens niet voldeden aan de strenge criteria van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, omdat zij geen ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek bij de oorspronkelijke terechtzitting tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of lichtere straf had kunnen leiden.

Daarom werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Dit arrest bevestigt de hoge drempel voor herziening en het belang van concrete, overtuigende nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het oorspronkelijke vonnis onjuist was.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03489 H
Datum8 februari 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Gelderland van 20 juni 2018, nummer 05/800005-18, ingediend door C.W. Langereis, advocaat te Arnhem,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd”, “mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, en eenvoudige belediging, telkens meermalen gepleegd”, en “mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de vrijheidsbeperkende maatregel dat de veroordeelde voor de duur van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen of zoeken met de slachtoffers.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2
In de aanvraag wordt gesteld dat (1) door de politie, hierin ondersteund door het openbaar ministerie, geen grondig onderzoek is gedaan, (2) sprake is van bewijs dat aangeefster [aangeefster] manipulatief is en niet de waarheid heeft verteld, (3) er geen aanwijzingen bestaan dat de aanvrager een (fysiek) agressief persoon is, en (4) een groot gedeelte van de bewijsmiddelen verkeerd is geïnterpreteerd. Het daartoe aangevoerde en de ter ondersteuning bijgevoegde stukken wekken echter niet een ernstig vermoeden als hiervoor onder 3.1 vermeld.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 februari 2022.