Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
8 februari 2022.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Gelderland, waarin de aanvrager was veroordeeld voor meervoudige mishandeling en belediging van zijn levensgezel en kinderen. De opgelegde straf betrof dertig maanden gevangenisstraf, waarvan tien maanden voorwaardelijk, en een contactverbod van drie jaar.
De aanvraag tot herziening stelde dat het politieonderzoek onvoldoende grondig was geweest, dat de aangeefster manipulatief was en niet de waarheid sprak, dat de aanvrager niet agressief was, en dat bewijsmiddelen verkeerd waren geïnterpreteerd. Deze stellingen werden onderbouwd met stukken.
De Hoge Raad oordeelde dat deze nieuwe gegevens niet voldeden aan de strenge criteria van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro, omdat zij geen ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek bij de oorspronkelijke terechtzitting tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of lichtere straf had kunnen leiden.
Daarom werd de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Dit arrest bevestigt de hoge drempel voor herziening en het belang van concrete, overtuigende nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het oorspronkelijke vonnis onjuist was.