Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 november 2020, waarin hij werd veroordeeld voor meermalig bezit en verspreiden van kinderporno (art. 240b.1 Sr) en bezit van dierenporno (art. 254a.1 Sr).
Verdachte voerde in cassatie onder meer aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden omdat de Koninklijke Marechaussee niet bevoegd zou zijn geweest tot opsporing, en verzocht om bewijsuitsluiting van spraakberichten en nader deskundigenonderzoek naar de vindplaatsen van de pornografische beelden op zijn telefoon.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest kunnen leiden en dat het niet nodig is om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor bezit en verspreiden van kinder- en dierenporno blijft in stand.