Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
12 juli 2022.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de opgeëiste persoon tegen een uitleveringsvonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De zaak betreft een verzoek van de Verenigde Staten tot uitlevering wegens samenzwering tot internationale distributie en invoer van ongeveer 64 kilo cocaïne.
De Hoge Raad heeft de klachten van de opgeëiste persoon beoordeeld, waaronder de vraag of het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten nog verbindende kracht heeft, of schending van procedurevoorschriften tot ontoelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek leidt, en of het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan eerdere vervolging of aanhouding van de opgeëiste persoon.
De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het vonnis en verwerpt het beroep zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Hiermee blijft het uitleveringsvonnis in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het uitleveringsvonnis blijft in stand.