Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
29 juni 2021.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen diefstal met braak en inklimming en poging daartoe. De Hoge Raad beoordeelde drie cassatiemiddelen: een bewijsklacht, de toepassing van vervangende hechtenis bij een schadevergoedingsmaatregel en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad verwierp de bewijsklacht zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel niet juist was en vernietigde het arrest voor zover deze maatregel werd toegepast. Tevens bepaalde de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur als de vervangende hechtenis kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro.
Ten slotte stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vier maanden. De straf werd daardoor vastgesteld op drie maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de duur van de gevangenisstraf en vervangende hechtenis, vermindert de straf tot drie maanden en drie weken en bevestigt toepassing gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel.