Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
29 juni 2021.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2019. Echter zijn namens de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend, terwijl de wet voorschrijft dat deze binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend door een advocaat. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld dat aan de wettelijke verplichting tot het indienen van cassatiemiddelen niet is voldaan. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het beroep daardoor niet in behandeling worden genomen. De Hoge Raad verklaart het beroep van de verdachte dan ook niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 29 juni 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.