Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en verwerping van een gevoerd verweer
.”
3.De aanvraag tot herziening
4.De conclusie van de advocaat-generaal
5.Beoordeling van de aanvraag
Het hof heeft in dat licht uitvoerig stilgestaan bij de vraag of – kort gezegd – het [B] is geweest die in 2010 suppletieaangiften / suppletieberekeningen aan medewerkers van de belastingdienst heeft verstrekt dan wel of het de aanvrager is geweest die op 2 november 2009 suppletieaangiften aan de belastingdienst heeft verzonden.
Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat een verzend- of ontvangstbevestiging ontbreekt van de brief van 2 november 2009 waarvan de aanvrager stelt dat hij deze met bijvoeging van de suppletieaangiften aan de Belastingdienst heeft verstuurd. Het hof heeft het, gelet ook op de omvang van de bedragen op de suppletieaangiften, slecht voorstelbaar geacht dat de aanvrager er genoegen mee zou nemen dat een ontvangstbevestiging uitbleef nadat hij – zoals ten overstaan van het hof is aangevoerd – in dat kader meermalen contact heeft gezocht met de Belastingdienst.
Het hof heeft bij zijn oordeel dat niet aannemelijk is het door de aanvrager ingenomen standpunt dat hij de suppletieaangiften bij brief van 2 november 2009 heeft ingediend, verder in aanmerking genomen dat de aanvrager over het indienen van de suppletieaangiften verschillend en onderling tegenstrijdig heeft verklaard. Het hof heeft verder uitgebreid gemotiveerd overwogen waarom – anders dan wat namens de aanvrager ten overstaan van het hof is aangevoerd – in het verhoor van de getuige [betrokkene 2], accountant en partner bij [B], en in de verhoren van de ambtenaren van de Belastingdienst [betrokkene 1] en [betrokkene 5], geen steun valt te lezen voor het standpunt van de aanvrager over de indiening van de suppletieaangiften.
Verder moet worden aangenomen - op de gronden vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 30 - dat het hof bekend was met de als bijlage 10 bij het herzieningsverzoek gevoegde brief van 28 juli 2010 van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] van de belastingdienst, zodat sprake is van een gegeven dat het hof in zijn oordeel heeft kunnen betrekken.
Hetgeen daartoe in de aanvraag is aangevoerd doet niet het hiervoor onder 5.1 bedoelde ernstige vermoeden rijzen. Daarbij is van belang dat, zonder nadere motivering, die in de aanvraag ontbreekt, niet valt in te zien hoe de bij de aanvraag gevoegde gegevens afdoen aan de betekenis van de door het hof bij zijn oordeel over het standpunt van de aanvrager ook betrokken vaststellingen dat i) een verzend- of ontvangstbevestiging van de suppletieaangiften ontbreekt, ii) de aanvrager over het indienen van de suppletieaangiften verschillend en onderling tegenstrijdig heeft verklaard en (iii) [betrokkene 5] en [betrokkene 1] hebben verklaard dat zij stukken van [B] hebben ontvangen.
Gelet daarop, en tegen de achtergrond van het uitvoerig gemotiveerde oordeel van het hof over het standpunt van de aanvrager, is in de aanvraag niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het hof tot (partiële) niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging zou zijn gekomen als het op de hoogte was geweest van de bij de aanvraag gevoegde gegevens.
Verder is aan voormelde in de aanvraag getrokken conclusie het gevolg verbonden dat het hof “mogelijk – gezien de wijze waarop het uitgangspunt ten aanzien van de suppletie-aangiften heeft doorgewerkt in ’s-Hofs overtuiging – tot een (integrale) vrijspraak” van de aanvrager ter zake het onder 1 tenlastegelegde zou zijn gekomen. Dit is echter – mede gelet op de door het hof gebruikte bewijsvoering – te speculatief om tot herziening te kunnen leiden.
6.Beslissing
15 juni 2021.