Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
5.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
6.Beslissing
15.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de ondertekening van de aanvulling op het verkorte arrest, de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel en overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat de aanvulling op het verkorte arrest, hoewel aanvankelijk niet ondertekend vanwege COVID-19, later rechtsgeldig is ondertekend door de voorzitter van het hof. Dit verweer faalt derhalve. Wel wordt het beroep gegrond verklaard voor wat betreft de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad vernietigt dit onderdeel van het arrest en past de jurisprudentie HR 26 mei 2020 toe.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden naar 23 maanden. De Hoge Raad bepaalt ook dat bij de schadevergoedingsmaatregel gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 23 maanden en vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel wordt vervangen door gijzeling van gelijke duur.