Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
15 juni 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor verduistering van geldbedragen uit hoofde van zijn functie als financieel manager en boekhouder bij een B.V. De verdachte had vals opgemaakte facturen gebruikt om grote geldbedragen naar eigen rekeningen over te maken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte de geldbedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had in de zin van artikel 321 Sr Pro. Het feit dat de overboekingen pas na accordering van de facturen plaatsvonden, doet hieraan niet af.
Daarnaast wordt geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak doet. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van dertien naar elf maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertien naar elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.