Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 juni 2019, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. De zaak betreft door belanghebbende op aangifte betaalde belastingbedragen op personenauto's en motorrijwielen.
De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld, maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Omdat de beoordeling geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht opleverde, was een nadere motivering niet vereist op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 8 januari 2021 in het openbaar gewezen door de vice-president en raadsheren van de belastingkamer.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.