Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2019. Ondanks het instellen van het beroep heeft de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend binnen de door de wet voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft daarom geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke verplichting tot het indienen van cassatiemiddelen niet is nagekomen. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het beroep dan niet in behandeling worden genomen.
Als gevolg hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, tijdens een openbare terechtzitting op 25 mei 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.