Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
25 mei 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel door een kwetsbare vrouw in de prostitutie te laten werken.
De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. Het hof kende een schadevergoeding toe, waarbij het de materiële schade schatte op basis van een minimuminkomen van €100 per dag en een aantal gewerkte dagen. De verdediging voerde onder meer aan dat de schatting onbegrijpelijk was omdat de vrouw enkele dagen door ongesteldheid niet had gewerkt, maar de Hoge Raad verwierp deze klacht.
Wel vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. In plaats daarvan kan gijzeling van gelijke duur worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de schadevergoeding en de veroordeling in stand blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.