Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 april 2021.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juni 2019 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft de betrokkene geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn. De advocaat-generaal heeft daarop geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en constateert dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting om binnen de termijn een schriftuur met klachten in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan het beroep niet inhoudelijk worden behandeld.
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 20 april 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.