Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
13 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2019. De verdachte werd veroordeeld voor bedreiging van een winkelmedewerkster en bedreiging met een terroristisch misdrijf, alsmede voor belediging van een reclasseringsmedewerker. Het hof legde een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op.
In cassatie stelde de verdediging onder meer dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben beslist over het ontbreken van opzet bij de bedreiging met een terroristisch misdrijf en verzocht om een tegenonderzoek door andere gedragsdeskundigen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het niet nodig was deze nader te motiveren, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het beroep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de TBS-maatregel met dwangverpleging blijft van kracht.