ECLI:NL:HR:2021:568

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 april 2021
Publicatiedatum
12 april 2021
Zaaknummer
19/05541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 285 lid 1 SrArt. 285 lid 3 SrArt. 266 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen hofarrest bedreiging en belediging met oplegging TBS met dwangverpleging

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2019. De verdachte werd veroordeeld voor bedreiging van een winkelmedewerkster en bedreiging met een terroristisch misdrijf, alsmede voor belediging van een reclasseringsmedewerker. Het hof legde een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op.

In cassatie stelde de verdediging onder meer dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben beslist over het ontbreken van opzet bij de bedreiging met een terroristisch misdrijf en verzocht om een tegenonderzoek door andere gedragsdeskundigen. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat het niet nodig was deze nader te motiveren, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het beroep werd derhalve verworpen en het hofarrest bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de TBS-maatregel met dwangverpleging blijft van kracht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05541
Datum13 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2019, nummer 21-007142-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Dijkstra, advocaat te Doorn, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Omdat de door het hof gelastte maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zich naar zijn aard niet voor vermindering leent, zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 april 2021.