Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
13 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 december 2019, waarin hij werd veroordeeld voor verkrachting en poging zware mishandeling. Het cassatiemiddel richtte zich onder meer op de toepassing van het bewijsminimum zoals bedoeld in artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (unus testis).
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van zijn oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken op 13 april 2021. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor verkrachting en poging zware mishandeling.