ECLI:NL:HR:2021:54
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, inclusief een boetebeschikking. Na een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, dat op 28 juni 2019 uitspraak deed.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, waarbij verschillende middelen werden voorgesteld. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad heeft deze middelen beoordeeld maar geoordeeld dat geen van deze middelen aanleiding geeft tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk omdat de beoordeling geen vragen betreft die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 15 januari 2021 in het openbaar gewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.