Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
6 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, waarin hij werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het doen van onjuiste aangifte loonbelasting door een rechtspersoon. De verdachte werd geconfronteerd met meerdere tenlasteleggingen op grond van artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
In cassatie stelde de verdachte onder meer een bewijs- en competentieklacht aan de orde. De Hoge Raad oordeelde dat de economische kamer van het hof bevoegd was om de zaak te behandelen, ook al waren aan de verdachte alleen commune delicten ten laste gelegd en was de zaak in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank. Daarnaast verwierp de Hoge Raad de klachten over het bewijs, zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor feitelijk leidinggeven aan medeplegen van onjuiste aangifte loonbelasting.