Uitspraak
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Volgens deze brief stelt belanghebbende, een stichting, beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank van 26 juni 2020.
Hoge Raad
De Stichting [X] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Volgens het Besluit van 6 maart 2019 is een stichting verplicht om digitaal te procederen in cassatiezaken die zijn bekendgemaakt op of na 15 april 2020. Omdat de uitspraak van de Rechtbank op 26 juni 2020 is gedaan, geldt deze verplichting ook voor deze zaak.
De Stichting diende het beroepschrift echter niet digitaal in, maar per fax. De griffier van de Hoge Raad heeft de stichting hierop bij brief van 5 november 2020 gewezen en verzocht het beroepschrift alsnog digitaal via het webportaal in te dienen. Dit verzoek bleef onbeantwoord. Daarom heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:36a, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Hoge Raad heeft geen veroordeling in de proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, en is op 19 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet digitaal indienen van het beroepschrift.