ECLI:NL:HR:2021:395

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 maart 2021
Publicatiedatum
16 maart 2021
Zaaknummer
20/02094
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:36a AwbBesluit van 6 maart 2019Stb. 2016, 288
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitaal indienen

De Stichting [X] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Volgens het Besluit van 6 maart 2019 is een stichting verplicht om digitaal te procederen in cassatiezaken die zijn bekendgemaakt op of na 15 april 2020. Omdat de uitspraak van de Rechtbank op 26 juni 2020 is gedaan, geldt deze verplichting ook voor deze zaak.

De Stichting diende het beroepschrift echter niet digitaal in, maar per fax. De griffier van de Hoge Raad heeft de stichting hierop bij brief van 5 november 2020 gewezen en verzocht het beroepschrift alsnog digitaal via het webportaal in te dienen. Dit verzoek bleef onbeantwoord. Daarom heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:36a, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Hoge Raad heeft geen veroordeling in de proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, en is op 19 maart 2021 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet digitaal indienen van het beroepschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/02094
Datum19 maart 2021
ARREST
in de zaak van
STICHTING [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 juni 2020, nrs. BRE 19/4173 tot en met BRE 19/4175, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 7 februari 2020.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
De Rechtbank heeft op 7 juli 2020 per fax een brief met bijlagen ontvangen. De griffier van de Rechtbank heeft deze brief - vanwege de strekking ervan - op de voet van artikel 6:15 Awb Pro doorgezonden naar de Hoge Raad ter verdere behandeling.
Volgens deze brief stelt belanghebbende, een stichting, beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank van 26 juni 2020.
1.2
Artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99 [1] , brengt mee dat een stichting verplicht is digitaal te procederen in die gevallen waarin het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak die op of na 15 april 2020 is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak het geval zodat het beroepschrift in cassatie digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, had moeten worden ingediend.
1.3
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende daarom bij brief van 5 november 2020 verzocht hetzelfde beroepschrift in cassatie binnen vier weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Deze brief is aangetekend verzonden en is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Aan dit verzoek van de griffier is geen gevolg gegeven. Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2021.

Voetnoten

1.Besluit van 6 maart 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures).