Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, slaagt het.
3.Beslissing
16 maart 2021.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie betreffende de vermeende feitelijke leiding van verdachte bij het onjuist en onvolledig doen van aangiften winstbelasting door een rechtspersoon in Sint Maarten over de jaren 2009, 2010 en 2011.
Het hof had bewezen verklaard dat de rechtspersoon opzettelijk onjuiste aangiften had gedaan en dat verdachte feitelijk leiding had gegeven aan deze gedragingen. Deze bewezenverklaring was gebaseerd op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van betrokkenen, notariële processen-verbaal en belastingadviseurs, die een financiële constructie en bemoeienis van verdachte en medeverdachte met de rechtspersoon aantoonden.
De Hoge Raad herhaalde de criteria voor feitelijke leiding zoals uiteengezet in eerdere jurisprudentie, waarbij feitelijke leiding niet louter kan worden aangenomen op basis van een juridische positie of algemene betrokkenheid. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had vastgesteld in welke mate verdachte betrokken was bij het doen van de aangiften en dat de enkele vaststellingen van betrokkenheid bij de financiële constructie en gang van zaken binnen de rechtspersoon onvoldoende waren om feitelijke leiding te bewijzen.
Daarom werd de bewezenverklaring als onvoldoende gemotiveerd beschouwd en vernietigd. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de betrokkenheid van verdachte bij de aangiften winstbelasting. Overige cassatieklachten behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring feitelijke leiding en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.