ECLI:NL:HR:2021:368

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
19/00453
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 SvArt. 36e.2 SrArt. 36e.3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij ontbreken schriftelijke volmacht in ontnemingszaak

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep centraal, ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een ontnemingsprocedure. De betrokkene werd vertegenwoordigd door advocaat Van der Weide, die het beroep per e-mail aan de griffie van het hof aanmeldde, met de toezegging dat een ondertekende schriftelijke bijzondere volmacht per fax zou volgen. Deze volmacht ontbrak echter in het dossier bij de Hoge Raad.

De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege het ontbreken van de schriftelijke volmacht. De Hoge Raad onderzocht de situatie en stelde vast dat de griffiemedewerker een akte cassatie had opgemaakt waarin werd verklaard dat hij schriftelijk gemachtigd was om het beroep in te stellen. De advocaat gaf aan zich te herinneren dat de volmacht door de strafgriffie was ontvangen, maar dat deze later was zoekgeraakt.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de volmacht in het dossier niet ten nadele van de betrokkene mag strekken, mits aannemelijk is dat de volmacht tijdig is toegezonden. Gezien de omstandigheden achtte de Hoge Raad het beroep ontvankelijk en verwees de zaak naar de rolzitting om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zich over de middelen uit te laten.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk verklaard ondanks het ontbreken van een schriftelijke volmacht in het dossier.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/00453 P
Datum16 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 januari 2019, nummer 21/006155-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang:
(i) het hof heeft op 23 januari 2019 uitspraak gedaan in de onderhavige zaak;
(ii) de akte cassatie vermeldt dat het cassatieberoep is ingesteld door de in de akte genoemde administratief ambtenaar van het hof op 29 januari 2019 en dat deze ambtenaar "blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht" schriftelijk gemachtigde is van de betrokkene om beroep in cassatie in te stellen;
(iii) aan de cassatieakte is een e-mailbericht gehecht, dat volgens de informatie op het emailbericht van de strafgriffie van het hof door R.P.G. van der Weide op 28 januari 2019 om 17:23 uur is verzonden aan de strafgriffie van het hof. Het e-mailbericht houdt het volgende in:
“(...)Edelgrootachtbare Vrouwe, Heer,
Namens cliënt, [betrokkene ] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , door wie ik raadsman, bepaaldelijk ben gemachtigd het erheen te leiden dat na te noemen rechtsmiddel zal worden ingesteld, machtig ik, raadsman, de griffier van de strafsector van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, uitdrukkelijk beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het Hof d.d. 23 januari 2019 in de zaak met parketnummer 21006155-13 (ontneming).
Ik verzoek u mij afschrift van de ondertekende en gedagtekende akte rechtsmiddel te doen toekomen.
Dank voor uw inspanningen.
De getekende versie van deze volmacht aan de griffier zal heden per fax worden verstuurd.
Kopie dezes zend ik aan de AG.
Hoogachtend,
Richard van der Weide, advocaat (...)”;
(iv) bij de door het hof aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich niet een schriftelijke volmacht tot het instellen van cassatie, zoals in het bovenstaande e-mailbericht is bedoeld;
(v) de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 vermelde correspondentie van een administratief medewerker van de Hoge Raad met de advocaat die de betrokkene in cassatie bijstaat, houdt onder meer in dat deze advocaat heeft bericht dat hij niet beschikt over een (kopie van de) ondertekende “volmacht instellen cassatie”. Deze correspondentie houdt verder onder meer in dat ook Van der Weide, de advocaat die het e-mailbericht heeft verzonden, de volmacht niet heeft kunnen traceren, maar dat Van der Weide zich wel kan herinneren dat door de strafgriffie van het hof is bevestigd dat de fax met de ondertekende volmacht (de Hoge Raad begrijpt: de schriftelijke bijzondere volmacht) daar is ingekomen.
2.2
Artikel 450 leden Pro 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) , welke bepaling ook van toepassing is op de ontnemingsprocedure, luidt voor zover hier van belang als volgt:
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
(...)
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.”
2.3
Een door de verdachte of betrokkene bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat kan op de wijze van artikel 450 lid 3 Sv Pro beroep in cassatie instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. Een e-mailbericht is niet zo een schriftelijke volmacht. Een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, inhoudende een schriftelijke volmacht waarmee een advocaat een griffiemedewerker machtigt om namens de verdachte of betrokkene een rechtsmiddel aan te wenden, moet echter wel als zo een schriftelijke volmacht worden aangemerkt, mits:
(i) het e-mailbericht, met bijlage, is verzonden naar een e-mailadres dat door het gerecht is aangewezen voor communicatie met de griffiemedewerkers inzake de aanwending van rechtsmiddelen in strafzaken en
(ii) de schriftelijke volmacht voldoet aan de in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, geformuleerde eisen.
(Vgl. HR 22 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654)
2.4
In het onderhavige geval gaat het om een e-mail maar bevindt zich bij de stukken van deze zaak niet een schriftelijke bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro van de advocaat Van der Weide aan de griffiemedewerker. Dit leidt in deze zaak evenwel niet tot het oordeel dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is.
Daarbij slaat de Hoge Raad acht op het volgende. De griffiemedewerker heeft een akte cassatie opgemaakt. Deze akte houdt in als verklaring van die medewerker dat hij de schriftelijk gemachtigde is van de betrokkene en dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd om namens de betrokkene cassatie in te stellen. De advocaat Van der Weide heeft blijkens zich in het dossier bevindende stukken kenbaar gemaakt hetgeen hiervoor onder 2.1 onder (v) is weergegeven. Gelet op dit samenstel van omstandigheden houdt de Hoge Raad het ervoor dat de advocaat Van der Weide voorafgaand aan het opmaken van de akte alsnog een schriftelijke volmacht, zoals hiervoor onder 2.3 is bedoeld, aan de griffiemedewerker heeft doen toekomen en dat deze schriftelijke volmacht later in het ongerede is geraakt. Het in het ongerede raken van de schriftelijke volmacht dient niet ten nadele van de betrokkene te strekken. De betrokkene is daarom ontvankelijk in zijn beroep.

3.Slotsom

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep en heeft zich niet uitgelaten over de voorgestelde cassatiemiddelen.
De Hoge Raad is van oordeel dat de advocaat-generaal daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 23 maart 2021;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 maart 2021.