Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
2 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was in de onderliggende strafzaak onderworpen aan voorlopige hechtenis. Volgens de Hoge Raad is de ontnemingsprocedure een voortzetting van de strafvervolging en gelden de rechten van de verdachte ook in deze procedure.
De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 27 lid 3 Sv Pro en artikel 40 lid 1 onder Pro b Sv een raadsman moet worden aangewezen door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wanneer een betrokkene geen raadsman heeft en er voorlopige hechtenis is bevolen in de strafzaak die samenhangt met de ontnemingsprocedure. In deze zaak was geen raadsman aangewezen of verschenen in hoger beroep.
Daarom had het hof de zaak niet mogen behandelen, het onderzoek ter terechtzitting niet mogen sluiten en geen arrest mogen wijzen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens het ontbreken van een aangewezen raadsman.