ECLI:NL:HR:2021:311

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2021
Publicatiedatum
25 februari 2021
Zaaknummer
19/04570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 6:4:20 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bepaalt omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 2 maart 2021 uitspraak gedaan over de toepassing van vervangende hechtenis bij een schadevergoedingsmaatregel. De verdachte was door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan een slachtoffer, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis bij niet-betaling.

De verdachte stelde cassatie in tegen dit onderdeel van het arrest. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest voor zover het de vervangende hechtenis betreft, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het arrest uitsluitend voor het deel dat betrekking heeft op de vervangende hechtenis.

De Hoge Raad bepaalde dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro. Dit betekent een belangrijke verduidelijking en aanpassing van de toepassing van sancties bij niet-naleving van schadevergoedingsmaatregelen.

Voor het overige werd het beroep van de verdachte verworpen, waarmee de overige onderdelen van het hofarrest in stand blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast en bepaalt dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04570
Datum2 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2019, nummer 20-000002-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 'sGravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft E.A.P. Mulders, advocaat te 'sHertogenbosch, een schriftelijk stuk ingediend. Het is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het bevat echter geen cassatiemiddel als in de wet bedoeld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot het bepalen door de Hoge Raad dat gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.
2.3
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 maart 2021.