ECLI:NL:HR:2021:294
Hoge Raad
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad ziet af van beantwoording prejudiciële vragen over bewijs van vestigingsplaats bij bitcoin mining
Belanghebbende, een vennootschap onder firma actief in bitcoin mining, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode oktober 2014 tot juni 2015. Na bezwaar en beroep bij de Rechtbank Den Haag stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de interpretatie van artikel 15 lid 2 onderdeel Pro c van de Wet op de omzetbelasting 1968 en de mogelijkheid om algemene statistische gegevens te gebruiken ter onderbouwing van de vestigingsplaats van afnemers.
De Hoge Raad overwoog dat noch de Wet op de omzetbelasting noch de BTW-richtlijn 2006 regels bevatten over de wijze van bewijslevering omtrent de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst. Het is aan de nationale rechtsorde om bewijsregels vast te stellen, mits deze niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke beroepen en de uitoefening van Unierechten niet onmogelijk maken.
In deze zaak bestaat geen bijzondere bewijsregel en is er geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen alle beschikbare bewijsmiddelen mogen aandragen. Daarom ziet de Hoge Raad af van beantwoording van de prejudiciële vragen. De proceskosten worden door de Rechtbank beoordeeld.
De beslissing werd op 26 februari 2021 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen over bewijs van vestigingsplaats bij bitcoin mining.