AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt beschikking rechtbank inzake ontslag curatoren bij faillissement
In deze zaak stond het verzoek tot ontslag van curatoren in een faillissement centraal. Verzoeksters stelden dat de behandelend rechter mogelijk niet onpartijdig was vanwege betrokkenheid bij andere faillissementen met dezelfde curatoren. De rechtbank had echter de curatoren niet ontslagen en deze beschikking werd aangevochten.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verzoeksters beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking. Daarbij was het niet nodig om diepgaand in te gaan op de rechtsvragen omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de curatoren werd niet behandeld omdat het principale beroep werd verworpen. De Hoge Raad veroordeelde verzoeksters tot betaling van proceskosten aan de zijde van de curatoren.
De uitspraak bevestigt de discretionaire bevoegdheid van de rechtbank bij het ontslag van curatoren en dat een objectieve vrees voor partijdigheid alleen gerechtvaardigd is bij concrete aanwijzingen, die hier ontbraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/05519
Datum19 februari 2021
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [eiseres 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiseres 2] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKSTERS tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: [verweersters],
advocaat: J. den Hoed,
tegen
1. Maria Josepha COOLS, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiseres 2] B.V., kantoorhoudende te Utrecht,
2. Hendrik DULACK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[eiseres 2] B.V., kantoorhoudende te Utrecht,
VERWEERDERS in cassatie, verzoekers in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: de curatoren,
advocaten: T.T. van Zanten en I.M.A. Lintel.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak F.16/19/352 van de rechtbank Midden-Nederland van 3 september 2019 en 6 september 2019.
[verweersters] hebben tegen de beschikking van de rechtbank van 6 september 2019 beroep in cassatie ingesteld.
De curatoren hebben een verweerschrift ingediend tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres 2] en tot verwerping in het principale cassatieberoep, en de curatoren hebben tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen beide beschikkingen.
[verweersters] hebben een verweerschrift tot verwerping van het exceptief verweer en van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingediend.
Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres 2] en wat betreft het geding tussen [eiseres 1] en de curatoren tot verwerping van het principaal cassatieberoep, eventueel met gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres 1] volgens wat onder 4.21 van de conclusie is gezegd.
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van de rechtbank beoordeeld.
De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [verweersters] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren G. Snijders en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 19 februari 2021.