Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Hoofdstuk 4 Subsidie functieverandering
Hoge Raad
Belanghebbende en zijn echtgenote brachten landbouwgronden in een maatschap in, waarop een subsidie functieverandering werd toegekend vanwege omzetting van landbouwgrond in natuurterrein. De subsidie werd verdeeld over alle maten, terwijl de waardevermindering van de gronden alleen de eigenaren trof. Het Hof oordeelde dat de subsidie als vergoeding voor waardevermindering moest worden beschouwd en corrigeerde de winstberekening door de helft van de subsidie toe te rekenen aan belanghebbende.
In cassatie stelde belanghebbende dat de subsidie volledig vrijgesteld moest worden en dat de afwaardering ten laste van de winst kon worden gebracht. De Hoge Raad bevestigde dat de subsidie een objectsubsidie is die moet worden afgeboekt op de boekwaarde van de grond, waarbij het meerdere vrijgesteld is. Het Hof had terecht geoordeeld dat geen verlies in aanmerking kwam voor het deel dat werd gecompenseerd door de subsidie.
Het Hof had echter zonder nadere motivering geoordeeld dat het toekennen van een deel van de subsidie aan de zoon onzakelijk was. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de zakelijke grondslag van de subsidieverdeling binnen de maatschap. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar de zakelijke grondslag van de subsidieverdeling.