Art. 81 lid 1 ROWet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in declaratiegeschil tussen advocaten
In deze zaak stond een declaratiegeschil tussen advocaten centraal, waarbij eiser cassatieberoep instelde tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2019. De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de kantonrechter te Tilburg en arresten van het hof die aan de cassatie ten grondslag liggen.
De klachten van eiser tegen het arrest van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze klachten leiden niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie, inclusief verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 12 februari 2021.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/05928
Datum12 februari 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
[de maatschap], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de maatschap],
advocaat: E.J.H. Zandbergen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak 4077410 CV EXPL 15-2984 van de kantonrechter te Tilburg van 16 maart 2016, 11 mei 2016 en 15 februari 2017;
de arresten in de zaak 200.213.635/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 mei 2017, 26 september 2017 en 1 oktober 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 1 oktober 2019 beroep in cassatie ingesteld.
[de maatschap] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 vanPro de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de maatschap] begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 12 februari 2021.