ECLI:NL:HR:2021:204

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2021
Publicatiedatum
9 februari 2021
Zaaknummer
19/01836
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 8 EVRMArt. 551a SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor kraken en behandelt redelijke termijn

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het kraken van een gebouw, een strafbaar feit volgens artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht. Tegen dit arrest van het gerechtshof Den Haag werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld, waaronder het verweer dat sprake zou zijn geweest van een strafrechtelijke ontruiming en het betoog over het begrip 'right to home' in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Deze klachten werden niet ontvankelijk verklaard voor vernietiging van het hofarrest, mede omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden. Desondanks achtte de Hoge Raad dit niet zodanig ernstig dat het gevolgen zou hebben voor de opgelegde straf van twintig uur taakstraf, subsidiair tien dagen hechtenis.

Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 16 februari 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde taakstraf blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01836
Datum16 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2019, nummer 22-001933-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 februari 2021.