Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 februari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens een veroordeling voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. De kern van het geschil is de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
De dagvaarding was aangeboden op een ander huisnummer dan het laatst bekende woonadres van verdachte, terwijl verdachte niet was ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Volgens artikel 36e lid 1 sub b onder 2° Sv dient de dagvaarding in dat geval op de bekende woon- of verblijfplaats te worden uitgereikt. Uit de stukken bleek echter niet dat de dagvaarding daadwerkelijk op dat adres was aangeboden.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof dat de dagvaarding geldig was betekend niet begrijpelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig. Hiermee wordt de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep onhoudbaar.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig.