ECLI:NL:HR:2021:1948

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
22 december 2021
Zaaknummer
20/02844
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 300 lid 1 SrArt. 350 lid 1 SrArt. 361.4 SvArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over poging doodslag, mishandeling en vernieling door ex-echtgenote

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2020. De verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag door met kracht tegen het hoofd te stompen, mishandeling van twee personen die hem probeerden tegen te houden, en vernieling.

In cassatie werden klachten ingediend over de strafmotivering, waarbij het hof een gevangenisstraf van vijf jaren oplegde met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt omtrent de strafoplegging. Tevens werd de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij betwist, met name in het licht van artikel 361.4 Sv en de betwisting van schadeposten door de raadsman van de verdachte.

De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het hof heeft de strafoplegging voldoende gemotiveerd en de vordering van de benadeelde partij toereikend onderbouwd toegewezen. De Hoge Raad zag geen aanleiding tot nadere motivering, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand met een gevangenisstraf van vijf jaren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02844
Datum21 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 september 2020, nummer 21-000979-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Weening, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.J. de Vries, advocaat te Groningen, een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 december 2021.