Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 december 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie en medeplichtigheid aan medeplegen flessentrekkerij. De verdachte had via zogenoemde plof-bv’s op grote schaal goederen besteld zonder deze te betalen.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Wel constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden en verminderde deze tot 22 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 21 december 2021.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd van 24 maanden tot 22 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.