Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 februari 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap centraal, waarbij de rechtbank Rotterdam de echtscheiding uitsprak en de verdeling van de gemeenschap gelastte. Partijen waren overeengekomen dat de saldi van hun bankrekeningen per 30 november 2017 gelijk verdeeld zouden worden. De vrouw had echter op 8 december 2017 een bedrag van € 11.000,- opgenomen van een gezamenlijke bankrekening en op haar eigen rekening gestort.
De rechtbank bepaalde dat de vrouw € 5.500,- aan de man moest vergoeden, omdat zij dit bedrag na de peildatum aan zichzelf had onttrokken. Het hof bekrachtigde deze verdeling, maar oordeelde dat de vrouw eenzijdig een voorschot had genomen en verwierp het verweer van de man dat de vrouw het volledige bedrag moest vergoeden. De man stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen begrijpelijk oordeel had gegeven en dat de grief van de man gegrond was. De vrouw kan niet zowel aanspraak maken op de helft van het banksaldo per 30 november 2017 als op de helft van het nadien onttrokken bedrag. Daarom vernietigde de Hoge Raad het oordeel van het hof en bepaalde dat het volledige bedrag van € 11.000,- bij de verdeling moet worden verrekend, zodat ieder van partijen per saldo de helft van de saldi ontvangt.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en de rechtbank voor zover deze de vergoeding van € 5.500,- betrof en deed zelf uitspraak over de correcte verrekening van het opgenomen bedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat het volledige bedrag van € 11.000,- bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap moet worden verrekend zodat ieder de helft ontvangt.