ECLI:NL:HR:2021:1877

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2021
Publicatiedatum
10 december 2021
Zaaknummer
20/01830
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening (EG) nr. 273/2004Art. 2.a Wet voorkoming misbruik chemicaliën
Verwijzingen
5 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep geschorst in zaak meldplicht drugsprecursoren wegens prejudiciële vraag EU

In deze zaak is het openbaar ministerie in cassatie gegaan tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd vrijgesproken wegens het niet voldoen aan de meldplicht voor drugsprecursoren zoals opgenomen in art. 8 van Pro Verordening (EG) nr. 273/2004 en art. 2.a van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uitleg van de meldplicht in art. 8 van Pro de Verordening van essentieel belang is voor de beoordeling van het cassatieberoep. Daarom heeft de Hoge Raad besloten om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2021:1841).

Totdat het Hof van Justitie uitspraak doet over deze prejudiciële vragen, houdt de Hoge Raad iedere verdere beslissing in deze zaak aan. Dit betekent dat het cassatieberoep voorlopig niet inhoudelijk wordt behandeld.

De uitspraak is gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 14 december 2021, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink en met raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, M. Kuijer en T. Kooijmans.

Uitkomst: De Hoge Raad schorst het cassatieberoep en houdt verdere beslissing aan in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de EU.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01830
Datum14 december 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juni 2020, nummer 20-001417-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft ertoe geconcludeerd dat de Hoge Raad de behandeling van het cassatieberoep schorst en vragen van uitleg, verband houdende met art. 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 273/2004, stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.Verzoek om een prejudiciële beslissing

In de samenhangende zaak 20/01829 heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1841, bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een verzoek ingediend uitspraak te doen over de in dat arrest geformuleerde prejudiciële vragen.
Omdat de beantwoording van die vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang is voor de beoordeling van het cassatieberoep in deze zaak, zal de Hoge Raad ook in deze zaak iedere verdere beslissing aanhouden.

3.Beslissing

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie in voormelde samenhangende zaak naar aanleiding van het daarin omschreven verzoek uitspraak zal hebben gedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 december 2021.